Auteur: Jacob Nuesink

Lumenbehoud, wat houden de codes (L/B/C/F) nu eigenlijk in?

In specificaties wordt nog steeds onduidelijk gecommuniceerd over het lumenbehoud. Meestal missen een aantal onderdelen van de specificatie. Dit zien we zowel bij armatuurspecificaties maar ook in uitvraagdocumenten. In uitvraagdocumenten geeft het de vrijheid een aanbod te doen wat de uitvrager waarschijnlijk niet heeft gewenst of bedoeld. Hoe zit het nu eigenlijk.

Allereerst spreken we over ledmodules1 of in de meeste gevallen over de led-chip1? De testresultaten en de daarbij behorende extrapolaties en bepalingen worden gewoonlijk gebaseerd op de resultaten van de testen van de led-chip1 of de led-package1. Maar zelden wordt de led-module1 aan een volledig onderzoek onderworpen. Het zou ook kostbaar worden om alle led-modules1 te testen op lumen behoud.

Hoe gaat een onderzoek naar lumenbehoud in zijn werk?

De leds worden onderzocht door ze te bedrijven met een vaste stroom en bij een specifieke temperatuur. Het onderzoek vindt plaats op 3 verschillende zogenaamde junction2 temperaturen. (normaliter 55/85/120 °C) De junction2 temperatuur is de temperatuur in de led-chip. Standaard worden 20 leds per temperatuur gemeten, in het totaal dus 60 stuks. Tenminste iedere 1000 uur wordt een meting gedaan. Dus bij 0 uur wordt de eerste meting gedaan en dan na 1000 uur veroudering de volgende. Dat tot tenminste 6 metingen zijn gedaan (dus 6000 uur verouderd). Gemeten wordt de lichtstroom van led en vaak wordt ook het kleurverloop mee gemeten. In veel gevallen wordt overigens om de 500 uur gemeten om een betere dichtheid van de meetresultaten te verkrijgen.

Van alle metingen wordt het gemiddelde bepaald. Dit gemiddelde wordt dan gebruikt om te extrapoleren. Volgens norm (TM21) mag 6 x ge-extrapoleert worden. Als we dus 6000 uur aan meetgegevens hebben mag volgens norm tot 36.000 h ge-extrapoleert worden. Voor wegverlichting is dat te weinig omdat de eisen zijn geschreven op een lumenbehoud na 100.000 h is. Dat betekend dat 17.000 h aan testresultaten nodig zijn. Dat impliceert 2 jaar meten!! Helaas zijn daar nog geen verdere versnelde meetmethoden voor gevonden.

In de praktijk worden dan ook vaak de resultaten van een voorgaande versie gebruikt. Men gaat er dan (tot nu toe terecht) vanuit dat de nieuwe versie een verbetering is op de oude. Het zou te lang duren om de resultaten van 2 jaar af te wachten voordat de chip daadwerkelijk in productie genomen zou kunnen worden en in de verkoop gaat.

Hoe verhoudt lumenbehoud led-chip zich naar module in een toepassing?

Mooi dat we het lumenbehoud van de leds kunnen bepalen met de resultaten die we hebben gemeten. Echter in de praktijk worden die leds op een printplaat gemonteerd en in een product gemonteerd, de wegverlichting. Dan moet die situatie gerelateerd worden aan de eerdere meetreultaten.

In de toepassing wordt dan de junction temperatuur bepaald en de driverstroom gemeten. De omgevingstemperatuur wordt in deze metingen meegenomen. Dat wil zeggen indien de toepassing bedoeld is voor een omgevingstemperatuur van bijvoorbeeld 35 °C, dan worden de metingen ook bij die omgevingstemperatuur worden uitgevoerd.

De gemeten temperatuur van de leds is dan bepalend samen met de stroom voor de calculatie/extrapolatie van het lumenbehoud. De resultaten van de metingen en de instellingen zoals in de toepassing gemeten kunnen worden ingevoerd in een excel werkblad welke dan de calculaties maakt.

Dan kan de L-waarde worden berekenend. Stel dat het lumenbehoud na 100.000 uur op 83 % uitkomt zal de L-waarde op L80 gespecificeerd worden.

Soms wordt gesproken over Tq in plaats van Ta.

Inderdaad. We kennen een Ta, dat is de temperatuur waarvoor een toestel geschikt is. Dus bijvoorbeeld 35 °C. In dat geval is het verstandig om de prestaties te kennen bij 25 °C. Dit is de prestatie temperatuur Tq genaamd. Tq kan dan 25 °C zijn terwijl de maximale Ta 35 °C is. Dit is belangrijk bij het lumenbehoud omdat die beter wordt als de omgevingstemperatuur lager is.

In Nederland kan gemiddeld met een temperatuur van 15 °C rekening worden gehouden. De wegverlichting is enkel in de avond en nacht aan en dan is de omgevingstemperatuur in de meeste gevallen onder of rond de 15 °C. Deze zomer is de temperatuur iets hoger geweest gedurende de nacht. Als standaard een Tq van 25 °C wordt aangenomen zitten we in de Nederlandse situatie prima.

Zijn we er dan? Is alleen de L vermelden voldoende?

De metingen zijn gemiddelden. Dat wil zeggen de berekening komt uit op een gemiddelde. De meetwaarde hebben echter een spreiding. Die spreiding van de leds kan groot of klein zijn en kan een flinke invloed hebben om het lumenbehoud en de gelijkmatigheid aan het einde van de geprognotiseerde levensduur.

De B-waarde geeft hier een inzicht in. De directe berekening zoals boven uitgevoerd levert een B-waarde op van 50%. Dat wil zeggen 50 % zal een hogere licht opbrengst hebben en 50 % zal er onder zitten aan het einde van de geprognotiseerde levensduur.

Is een B50 slecht of goed?

Het hangt natuurlijk erg van de situatie af. Hebben we te maken met een gemengd licht, dat wil zeggen alle leds dragen bij tot dezelfde verlichting dan heft de + de – op en komen we uit dat het gemiddelde dus goed is. In de binnen verlichting is dat vaak prima. In de buitenverlichting worden de leds vaak allemaal anders gericht en krijg je minder egaal lichtbeeld als de leds gaan afwijken.

De metingen die eerder zijn uitgevoerd geven ook de informatie over de verdeling van de veroudering van de led’s. De verdeling blijkt klokvormig te verlopen.

Normaal verdeling (klok vorm)

Als regel geldt dat er in het interval dat bepaald wordt door het gemiddelde plus één maal de standaardafwijking (de bovengrens) en het gemiddelde min één maal de standaardafwijking (de ondergrens), ongeveer 69% van alle waarden voor moet komen. Bij plus of min tweemaal de standaardafwijking ligt ongeveer 95%, en bij plus of min driemaal de standaardafwijking ligt 99%.

Als we dus 2 x de standaardafwijking aftrekken komen we op de B5 waarde. De L wordt dan dus lager maar we mogen verwachten dat 95 % boven de opgegeven waarde zal liggen aan het einde van de geprognotiseerde levensduur.

Let dus op als geen B is gespecificeerd en we nemen een B95 aan dat slechts 5 % boven de opgegeven waarde zal liggen aan het einde van de geprognotiseerde levensduur. Een dergelijke specificatie heb ik persoonlijk nooit gelezen maar als slechts een L waarde is gespecificeerd kan de leverancier met de B alle kanten op.

Wat is dan de C- en F-waarde?

De C-waarde is uitval. Dat wil zeggen de C-waarde is gedefinieerd als het percentage waarbij L0 is. Als er nog een beetje licht uit de led komt telt hij mee in de bepaling van de L/B waarde. Komt er geen licht meer uit de led dan telt hij enkel mee voor de C waarde.

Dus testen we bijvoorbeeld 20 leds en er valt er 1 volledig uit dan betekend dat een C-waarde van 5. Dit is geen prettige waarde om te vermelden dus het is verstandig om voor deze test een grotere populatie te testen zodat de waarde beter gedefinieerd wordt en mogelijk “lager” zal uitvallen.

De F-waarde is een samengesteld waarde. Dat wil zeggen het combineert de B- en de C-waarde. Ga eens uit van een B10 en C1. Dan betekend dat op een populatie van 100;

Te verwachten zijn 1 uitval en 10 stuks zitten onder de opgegeven L-waarde. De F wordt dan 11.

De norm schrijft voor dat als F specificatie 5 of 10 moet worden genomen. Hogere F-waarden worden door de norm als onwenselijke gekenmerkt.

Enkele overwegingen

In de praktijk worden de waardes zoals boven gespecificeerd bij een Tq van 25 graden. Dat wil zeggen de omgevingstemperatuur is 25 graden voor deze specificatie. Voor Nederland is dat voor wegverlichting ook prima. In de zomer is het soms wel warmer maar de nachtelijke uren zijn maar zelden warmer. Voor het midden Oosten kan dit bijvoorbeeld wel een probleem zijn. Dan zie je soms specificaties bij Tq 50 graden en dan zie je ook direct dat de levensduur drastisch naar beneden gaat. Meestal wordt dan op 50.000 h gespecificeerd.

Dus let op dat wanneer een Ta van 35 graden is gespecificeerd dat niet standaard ook voor de L/B/C/F-waarde is gebruikt.

Conclusie;

Specificeer de L-waarden, bijvoorbeeld L80 bij een B waarde van bijvoorbeeld 5 of 10 en een C waarde van bijvoorbeeld 1. Je kunt ook zeker de F-waarde nemen bijvoorbeeld F10. In Nederland is een specificatie bij 25 °C uitstekend.

Neem als overweging mee dat de uitval van led’s veelal de badkuip kromme volgen. Dat wil zeggen dat in de eerste periode en de einde levensduur fase de meeste uitval zal plaatsvinden. De eerste uitvallers moeten onder een goede garantie worden afgehandeld, de eerste 2-3 jaar. Een goede garantieregeling is dus essentieel.

Te verwachten uitval verloop van leds

Vergeet niet dat er verdere effecten zijn die het lumenbehoud van het armatuur beïnvloeden. Bijvoorbeeld veroudering van de lenzen, kunststof kappen die vergelen onder UV-invloed van de zon, etc etc. Deze vallen niet in de bepaling van L/B/C/F waarden!

Ook speelt de driver een belangrijke rol. Ook daarvan is het belangrijk dat de levensduur juist is vastgesteld. Vaak wordt klakkeloos overgenomen wat op de datasheet van de driver vermeld staat maar ook dat is bepaald onder specifieke condities. Ook daar moet gecontroleerd aan die condities wel wordt voldaan in het armatuur.

Denk niet dat als het lumenbehoud voor 100.000 uur is opgegeven dat daarmee het armatuur dus ook 100.000 uur mee zal gaan. Het lumenbehoud betreft enkel de led-module.

Ter illustratie;

Recentelijk te lezen in een uitvraag; Lichttechniek; Aantal branduren: L80 > 100.000

Verder niets. Stel ik kies een L80B10 of ik kies een L80B95? In beide gevallen wordt aangeboden wat gevraagd wordt echter zal de uitvrager niet blij worden als achteraf blijkt dat een B95 is aangeboden. Het betekent namelijk dat 95 % van de toestellen onder de 80% zal zitten en slechts 5 % erboven. Op die manier is veel makkelijker een lange levensduur aan te bieden dan wanneer de kiest voor een B10 of B5 sepcificatie.

Uitleg bij gebruikte termen;

1Ledmodule

Een ledmodule wordt ook wel de ledplaat of ledprint genoemd. De ledmodule bestaat over het algemeen uit een printplaat met ledpackages. Een ledpackage bevat de ledchip zelf en het fosfor conversie materiaal. Tevens worden de aansluitingen aan de chip gerealiseerd. De package wordt op de printplaat gesoldeerd. Soms zit er ook aanvullende elektronica op de printplaat gemonteerd.

2Junction

De junction temperatuur is de led interne temperatuur op de overgang van het P/N materiaal. Of te wel precies op de plek waar de omzetting van elektrische energie naar licht plaats vindt. Dit is ook de plaats waar de verliezen optreden en daarmee de hoogste temperaturen worden bereikt. Deze temperatuur is niet direct met een sensor meetbaar echter zijn er methoden ontwikkeld om die temperaturen toch correct vast te stellen.

Een blik bij onze Oosterburen.

3 jaar geleden raakte ik betrokken bij een project van de BMU; Bundesministerium für Umwelt, Naturschutz und nukleare Sicherheit. Een project dat al enkele jaren liep en tot doel had de verlichtingsindustrie verder vooruit te helpen zodat een voorsprong op andere landen vooral buiten de EU behouden kon worden.

Als onderdeel van dit project is al iets langer geleden een waarderingssystematiek ontwikkeld om led wegverlichting te kunnen beoordelen. Deze systematiek werd ontwikkeld in samenwerking met overheden, industrie en onder andere universiteiten. Leuk om eens naar deze systematiek te kijken.

4 hoofdcategorieën

De beoordeling wordt gedaan op 4 hoofdcategorieën die vervolgens verder onderverdeeld worden. Als eerste wordt naar prijs gekeken met een wegingsfactor van 30%. Prijs heeft dus een grote impact aan de andere kant is het ongeveer 1/3 van de totale overweging. Dan is er nog een kostenfactor en dat is het verbruik. Dit telt ook weer voor 30% mee.

De derde categorie is productkwaliteit. Ook die telt voor 30% mee. Deze categorie is nog verder onderverdeeld daar volgt hieronder nog meer over. De laatste categorie is vormgeving. De vormgeving telt nog voor 10% mee.

Prijs

De prijs van het product wordt gewogen. De laagste prijs is dan de basis. De laagste prijs gedeeld door de prijs van de aanbieder x 30 levert het aantal punten op. De laagste prijs krijgt zo 30 punten. Alle hogere prijzen krijgen dan een lager aantal punten. Bijvoorbeeld de laagste aanbieder bied aan voor 300 euro en de concurrent voor 350 euro. De laagste prijs krijgt dan 30 punten en de concurreren (300/350) x 30 = 25 punten.

Verbruik

Voor het verbruik kunnen 2 verschillende uitgangspunten worden gekozen. Ofwel wordt het gehele project beoordeeld ofwel wordt gekeken naar het verbruik per km. Dat laatste gaat natuurlijk goed voor doorgaande wegen en snelwegen maar bijvoorbeeld woonwijken, parken etc is een methodiek waar naar het gehele verbruik wordt gekeken waarschijnlijk zinniger.

Productkwaliteit

In de categorie productkwaliteit heeft men gekozen voor 3 onderverdelingen die dan weer verder zij onderverdeeld.

Onderhoudsvriendelijkheid;
– Gereedschap loze opening (4)
– Centrale opening middels een enkele schroef (3)
– Meerdere schroeven (2)
– Eenwegschroeven (0)

Dan lichttechnisch;

Verlichtingssterkte
– > 3,3 Lux (4)
– 3 – 3,3 Lux (2)
– < 3 Lux (0)

Gelijkmatigheid
– UO > 0,37 (4)
– UO = 0,35 – 0,37 (2)
– UO < 0,35 (0)

Verblinding
– Ti < 13,5 % (4)
– Ti = 15 % – 13,5 % (2)
– Ti > 15 % (0)

Omgevingsverlichting
– SR > 0,75 (0)
– SR = 0,5 – 0,75 (4)
– SR < 0,5 (0)

Dan nog lichtsamenstelling

Lichtkleurtemperatuur
– < 3300 K (4)
– 3300 – 5300 K (2)
– >5300 K (0)

Kleurweergave
– Ra >= 80 (4)
– Ra 65 – <80 (4)
– Ra <65 (0)

Tussen haakjes staan de punten die toegekend worden. Alle punten opgeteld x 1,07 levert het punten totaal voor deze categorie op.

Vormgeving

De vormgeving wordt beoordeeld door een commissie ingesteld door de gemeenteraad. Deze commissie beoordeeld als volgt
– Goede acceptatie (10)
– Gemiddelde acceptatie (5)
– Slechte acceptatie (0)

Samenvattend

De kwaliteit van het product wordt maar gedeeltelijk bekeken maar wel de belangrijkste criteria worden beoordeeld namelijk het doel waarvoor het product wordt aangeschaft, het verlichten van de straat. Kijken we naar andere product kwaliteiten heeft men ook kriteria maar vaak minimale criteria waaraan gewoon moet worden voldaan. Overigens waar in Nederland toch vaak 100.000 levensduur voor de led module wordt in Duitsland vaak uitgegaan van kortere levensduren.

De systematiek is een voorgestelde systematiek om de lokale overheden een handvat te geven om tot een beoordeling over te kunnen gaan. De prijs moet voor minimaal 30% meegenomen worden maar kan ook een groter aandeel krijgen. De specifieke waarderingen kunnen ook nog bijgesteld worden.

De nieuwe standaard voor “connectivity” voor straatverlichting?

Heeft het zin om straatverlichtingstoestellen aan het internet te koppelen? Heeft zin om sensoren aan te brengen aan, in of op straatverlichtingstoestellen. Een lastige vraag waar we het antwoord nog niet goed op weten. Wat we wel weten is dat dit veel complicaties met zich mee brengt. Tijd dus om te “normaliseren”. Gezocht is naar een universele oplossing die we allemaal kunnen toepassen. Die lijkt er nu te zijn.

De meesten onder ons kennen wel de NEMA connector. Deze wordt veelvuldig ingezet in het buitenland, vooral in de Verenigde Staten. Dit is een grote connector die met netspanning wordt gevoed en principieel enkel schakelt. Veel ingezet voor licht/donker detectie. Deze connector is enkel geschikt voor de bovenkant van het armatuur. Aan de onderzijde of zijkant van het armatuur is de waterdichtheid (IP classificatie) niet gegarandeerd.

Nieuwe tijden, nieuwe technologieën.

Binnen het Zhaga normalisatie comité werd het idee opgepakt en werd een nieuwe connector ontwikkeld. Belangrijke eisen:
– Kleinere connector om zodat integratie in straat verlichting makkelijker is
– Geschikt voor alle montage richtingen
– Uitgevoerd met standaard belegde aansluitingen zodat uitwisselbaarheid wordt gegarandeerd
– Geschikt voor lage spanningen zodat ontwikkeling van sensoren en communicatie eenvoudiger wordt
– Gestandaardiseerd protocol om met de driver te communiceren
– Universeel toepasbaar zodat er voldoende concurrentie zal zijn op toepassingen

Als de connector in het armatuur is ingebouwd passen in basis alle modules erop die volgens de Zhaga specificatie zijn ontwikkeld. Op dit moment is de specificatie nog niet openbaar maar dat zal niet zo heel lang meer duren en dan is hij publiek toegankelijk.

In de module kan bijvoorbeeld een simpele licht/donker sensor worden ingebouwd maar ook kan er bijvoorbeeld een camera worden ingebouwd of een luchtkwaliteitssensor. Daarnaast kunnen er communicatie middelen worden ingebouwd zoals een Lora of Sigfox communicatie, maar ook Zigbee of welke ander systeem dan ook. Er kunnen op een armatuur meerdere connectoren worden aangebracht en aangesloten.

Voorstelbaar zou kunnen zijn om op de bovenzijde een licht/donker sensor gecombineerd met een communicatie module aan te brengen. Aan de onderzijde van het armatuur dan nog een connector waar bijvoorbeeld een camera module is zit. Uiteindelijk kan er dus heel veel worden gedaan.

Wat is een wezenlijk voordeel ten opzichte van de huidige praktijken?

Veel armaturen worden achteraf uitgerust met communicatie middelen. Die worden door de inkopende partij vaak voorgeschreven. Wat we dan vaak zien is dat die combinaties niet noodzakelijkerwijs aan alle geldende eisen voldoen. Dat komt omdat de fabrikant onmogelijk alle combinaties kan onderzoeken. Hij moet dat wettelijk wel maar in de praktijk wordt vaak ingebouwd wat de klant wil. Dit is ten dele begrijpelijk.

Het voordeel dat de connector brengt is dat het armatuur niet gewijzigd wordt. De certificaties blijven daarmee intact. Dat scheelt een enorme last voor de fabrikant omdat hij minder risico loopt op het niet voldoen aan de wettelijke eisen.

Het voordeel voor de gebruiker (gemeente) zijn diverse.
– Indien een module defect is kan er makkelijke gerepareerd worden
– Niet verplicht om direct alle armaturen van modules te voorzien “achteraf” een module plaatsen is een peulenschil geworden
– Upgraden of updaten is makkelijk mogelijk door het vervangen van enkele deze module. Als je eerst enkel een luchtkwaliteitssensor hebt en later ook een camera wilt plaatsen is dat geen probleem.

Al met al zullen de kosten van een armatuur een fractie hoger zijn in verband met het vooraf uitrusten met een dergelijke connector. Echter de kosten om een module aan te brengen (of niet) zijn natuurlijk vele malen lager. Er zijn ook veel minder risico’s met het ingrijpen op het armatuur zelf. Een interessante ontwikkeling dus zeker omdat we nog helemaal niet weten wat we uiteindelijk allemaal aan sensors aan het armatuur willen gaan hangen.

Meer informatie:
https://www.zhagastandard.org/books/book18/

Door: Jaap Nuesink

Led verkeerslichten en scheepvaart seinen in de praktijk

Rijkswaterstaat heeft in 2000 al het initiatief genomen om al zijn scheepvaartseinen en daarna zijn verkeerslichten te vervangen voor ledseinen. In de praktijk is gebleken dat het ons en de weggebruikers veel voordelen oplevert, inmiddels zijn vrijwel alle seinen vervangen maar bij veel gemeenten zijn er nog steeds ouderwetse “gloeilamp” seinen en verkeerslichten in gebruik.

Hieronder onze ervaringen bij Rijkswaterstaat:

De verwachtingen van de ledlamp waren hoog, 90% energiebesparing, 90% besparing op onderhoud en een levensduur van meer dan 10 jaar! Maar de verwachtingen zijn in de praktijk ruimschoot gehaald. Het loont echt, het is dan ook vreemd dat na ruim 15 jaar er nog veel installaties, ook in gemeenten die zeggen groen te zijn die nog niet omgebouwd zijn.

De eerste ledseinen werden toegepast op scheepvaart installaties omdat die dubbel zijn uitgevoerd waren daar de risico’s kleiner en de besparing op onderhoud was daar ook groter, het was een mooie proeftuin voor de hele wereld. De ervaringen waren daar zo positief dat na 2 jaar werd besloten ze ook toe te gaan passen voor verkeerslichten. Het zijn in principe het dezelfde seinlampen, alleen is voor de scheepvaart een 2e lager dimstand noodzakelijk.

Zichtbaarheid en veiligheid

Ledseinen zijn veel beter zichtbaar omdat het licht monochroom, rood is echt hard rood, waardoor het meer opvalt. De lampen vallen ook meer op bij inschakelen doordat ze dat veel sneller doen, een gloeilamp heeft 0,2 seconden nodig om in te schakelen een ledlamp doet dat zeker 10 keer sneller, daarom worden ze ook in remlichten gebruikt. Het geeft het achteropkomende verkeer meer remweg. Door de introductie van led verkeerslichten vallen er in Nederland zeker 10 doden per jaar minder!

Energieverbruik

Natuurkundig gezien wekken led met een veel grotere efficiëntie licht op dan een gloeilamp, zie werking van een led op YouTube

In een ledsein worden bovendien leds gebruikt die direct de juiste kleur geven waardoor de verliezen in de gekleurde lens wegvallen, dit spaart zeker nog 80% extra energie. Leds zijn bovendien heel goed en efficiënt te dimmen waardoor in de nachtelijke uren nog veel meer energie wordt bespaard.

Onderhoud en levensduur

In het begin hadden we nog wel enige twijfels over de levensduur van de ledseinen daarom werd er een garantie van 100% voor 5 jaar geëist bij inkoop. Dat is goed bevallen, we hebben nauwelijks gebruik ervan hoeven maken en ook na 17 jaar voldoen ze nog steeds.

Verschil tussen scheepvaart- en verkeersseinen.

Scheepvaartseinen moeten altijd voldoen aan de eisen van de Led2-lamp in verkeerslichten mogen ook Klasse II lampen gebruikt worden. Het enige verschil is dat Led2-lampen beschikken over een 2e dimstand voor als een lager lichtniveau gewenst is in de nacht.

Let hierop want niet alle installateurs zijn hiermee bekend en dat leidt tot verblinding voor de scheepvaart.

In natuurgebieden waar s ‘avonds lagere lichtniveaus gewenst zijn voldoen de Led2-lampen ook goed in VRI’s (VerkeersRegel Installaties).

Nog meer veiligheid

Bij onverwachtse stroomuitval treed er direct gevaar op voor het naderende verkeer, zij zien geen roodlicht en houden snelheid! Met een zuinige led installatie hoeft dat niet meer voor te komen.

Ledlampen zijn zo zuinig dat een heel kruispunt nog uren kan functioneren op een noodaccu als onverwachts de stoom uitvalt, we nomen zo’n installatie een No-break VRI. Bij zo’n No-Break VRI blijven de lampen zonder dat je er iets van ziet gewoon branden en als het langer duurt schakelt de VRI om naar de dimstand en zal uiteindelijk na enkele uren via oranje knipperen uit te schakelen. Ook de elektrische veiligheid van een led installatie is veel hoger omdat gewerkt wordt met veilige spanningen van 42Vac, voor de dimstanden worden de lampen gevoed met 31 of 20 Vac.

Rijkswaterstaat gebruikt vrijwel overal No-Break VRI’s ze zijn bij nieuwbouw nauwelijks duurder en geven in geval van calamiteiten veel extra veiligheid. De Rijkspolitie zou bij haar goedkeuring van calamiteitenplannen hier meer op kunnen letten, ingeval van een stroomuitval wil je het verkeer toch kunnen regelen.

Innovatie bij Rijkswaterstaat

Rijkswaterstaat is de grootste gebruiker van scheepvaart seinen op haar waterwegen, waarschijnlijk wel de grootste in de wereld, dat schept verplichtingen als je weet wat er mogelijk is.

Daarom heeft Rijkswaterstaat de eisen en keuring van de Led2-lampen gefaciliteerd en door als Launching customer op te treden ook de ontwikkeling van heel sterke Led2 seinlampen voor grote vaarwegen gestimuleerd. We besparen hiermee zelfs 99% op energie bij het Calland kanaal.

Door: Willem Zandvliet, Rijkswaterstaat

Leverancier

Relevantie van de Cosinus φ.

Is de cosinus φ nog wel relevant voor elektronica? Bij ledverlichting wordt de cosinus φ nog steeds gevraagd. Is dat wel zinvol of bedoeld men eigenlijk de arbeidsfactor? De cosinus φ beschrijft de fase verschuiving tussen een stroom en een spanning. Als de stroom en spanning in fase zijn dan is de cosinus φ 1 en wanneer ze 90 graden verschoven zijn is de cosinus φ 0. Meer zegt het niet.

De arbeidsfactor zegt iets over de hoeveelheid energie die in wordt gebruikt. Hoe moeten we dat zien? Als de stroom een stukje in fase verschoven is wordt gedurende een deel van de tijd energie opgenomen uit het net maar ook wordt er gedurende de tijd dat de spanning negatief is en de stroom positief (en vice versa) vermogen terug gevoed in het net. Dat betekend in werkelijkheid dat vermogen wordt opgenomen en vervolgens weer terug gevoed in het net. Die energie wordt niet omgezet in “arbeid”.

Als de spanning en stroom beide volledig sinus vormig zijn is de cosinus φ gelijk aan de arbeidsfactor.

In het figuur onder zien we een stroom en spanning die in fase zijn verschoven en zien we ook hoe het vermogen dan verloopt. Een deel is positief vermogen. Er is ook een deel negatief vermogen, dat wordt terug gevoed in het net.

Even in formules:

P = U x I => uitgedrukt in W

Die kennen we allemaal; ofwel vermogen is spanning vermenigvuldigd met de stroom.

Deze formule geldt in het geval we te maken hebben met een zuiver ohmse (zuivere weerstand) belasting. Zodra we met een inductieve of capacitieve belasting te maken hebben (en natuurlijk een wisselspanning) dan hebben gaat deze formule niet meer op. In dat geval krijgen komt uit de formule het schijnbare vermogen. Het vermogen dat opgenomen lijkt te worden.

Ps = U x I => uitgedrukt in VA

Ps = Schijnbaar vermogen in VA
U = Spanning in V
I = Stroom in A

Het effectieve vermogen; het werkelijk in arbeid omgezette vermogen berekenen we met de formule:

Peff = U x I x cos φ

Peff = Effectief vermogen
U = Spanning in V
I = Stroom in A
φ= fase verschuiving tussen spanning en stroom in graden

Dit is het vermogen wat afgerekend wordt aan de energiemaatschappij.

Als we met elektronica te maken hebben dan geldt deze formule niet meer. Dan hebben we niet meer te maken met sinusvormige stromen. De arbeidsfactor is dan niet langer gelijk aan de cosinus φ. In formule vorm is dat:

λ =Peff /Ps

λ = Arbeidsfactor
Peff = Effectief vermogen
Ps = Schijnbaar vermogen

In het geval dat we te maken hebben met zuiver sinus vormige spanning en stroom betekend dit:

λ = cos φ

In onderstaande figuur een voorbeeld. De spanning is sinusvormig maar de stroom heeft volledig ander verloop. Dit is een serieuze vervorming. Die vervorming kunnen wordt uitgedrukt in de harmonische vervorming.

 

In stroom zitten hogere frequenties, dat wil zeggen frequenties met een veelvoud van de basisfrequentie (50 Hz). Samen bepalen ze de vorm van de stroom. Het blijkt dat de stroom is samengesteld uit een stroom met de basis frequentie (50 Hz) en stromen met de hogere harmonische frequenties, elk met z’n eigen sterkte. Middels een fourier analyse kan bepaald worden wat de stroom is van de harmonischen. Daarmee kan dan de totale harmonische vervorming worden berekend. De THD of wel de “total harmonic distortion”.

Verder kunnen we ook een faseverschuiving vinden. De faseverschuiving wordt dan displacement factor genoemd. Deze factor is vergelijkbaar met wat we cosinus φ noemen bij sinusvormige stromen. In formules ziet dat er dan als volgt uit.

λ = Kdisplacement x Kdistortion

Kdistortion = 1/√(1+THD2)

anders gezegd:

λ = cos φ / √(1+THD2)

λ = Arbeidsfactor
φ= fase verschuiving tussen spanning en stroom in graden
THD = Totale harmonische vervorming

In de praktijk wordt nog steeds veel verwezen naar de cosinus φ. Dit is in geval van led niet logisch en is ook niet relevant. De arbeidsfactor is relevant en bepalend voor de het werkelijk opgenomen vermogen. Deze factor is ook onderwerp van de wettelijke eisen waar producten aan moeten voldoen.

Op de drivers zal ook enkel een arbeidsfactor vermeld zijn. De cosinus φ is enkel terug te vinden op de conventionele voorschakelapparaten en transformatoren. Na de introductie van elektronische voorschakeltoestellen is de cosinus φ al verlaten als aanduiding.

Hoe zit het volgens wettelijke eisen?

Op dit onderwerp zijn voor producten (het armatuur) twee richtlijnen van toepassen. Let op dit wordt een richtlijn genoemd maar is een wettelijke eis en fabrikanten zijn verplicht om aan die eisen te voldoen als ze producten willen leveren.

  • EMC richtlijn
  • ErP richtlijn
  • In sommige gevallen geld de RED richtlijn

Om aan de EMC richtlijn te voldoen wordt de norm EN 61000-3-2 gebruikt. Deze norm vereist een arbeidsfactor van 0,9 voor armaturen met een vermogen > 25 W. Ook zijn in die norm eisen gesteld aan de specifieke harmonischen.

Voor vermogens onder de 25 W kent de EMC richtlijn geen norm. Echter de ErP richtlijn kent daar weer wel eisen. De eisen zijn daar:

  • ≤ 2 W: Geen eisen
  • > 2 W en ≤ 5 W: λ ≥ 0,4
  • > 5 en < 25 W: λ ≥ 0,5
  • ≥ 25 W: λ ≥ 0,9

Wat nu voorschrijven?

  1. Eisen dat men aan zowel de EMC als ErP richtlijn moet voldoen is principieel overbodig. De fabrikant dient zich aan de wet te houden. Het kan de fabrikant nogmaals op zijn verantwoordelijkheden wijzen. Die reden is voldoende om de eis toch te vermelden.
  2. Voor grote projecten waar veel armaturen worden gebruikt op 1 groep, is het aan te raden om een arbeidsfactor van tenminste 0,9 te eisen. Dit om de aansluitwaarde voor de energieleverancier garanderen. Volgens norm moeten ze namelijk een arbeidsfactor van 0,8 na streven. Vaak wordt dit ook in de leveringsvoorwaarden van de energieleverancier vermeld als minimum.

Het vermelden van de normen is in dit geval minder relevant. Het vermelden van normen brengt namelijk het risico met zich mee dat er oude, inmiddels achterhaalde, normen vermeld zijn. Ook kan de fabrikant dan het idee krijgen dat hij voor dat bestek niet aan de nieuwste stand van de techniek hoeft te voldoen.

Door Jacob Nuesink, ten behoeve van het Kennis team OVLNL

Waarom afgedankte lampen en armaturen recyclen?

Elk jaar komt er zeker 900.000 kg armaturen en ruim 460.000 lampen vrij bij sloop- en renovatieprojecten. Voor de beeldvorming; het genoemde gewicht van de armaturen is vergelijkbaar met twee Airbus A380 vliegtuigen (het grootste passagiersvliegtuig ter wereld).

Slechts een deel van de armaturen komt na verwijdering binnen in het inzamelsysteem van Wecycle (www.wecycle.nl) of wordt geregistreerd en vervolgens door een verwerker duurzaam gerecycled. Zonde, want afgedankte verlichting kan uitstekend worden gerecycled.

Lampen kunnen bij juiste verwerking voor 92% worden hergebruikt, bij armaturen is dat 75%. Bovendien verdienen gasontladingslampen (zoals tl-buizen en spaarlampen) en armaturen een speciale behandeling omdat zij milieugevaarlijke stoffen kunnen bevatten (zoals kwik, neon of bij armaturen pcb-houdende condensatoren). Met duurzame recycling blijven deze stoffen uit het milieu.

Met dit in het achterhoofd maken stichting Wecycle en stichting LightRec – waarin de Nederlandse producenten en importeurs zich hebben verenigd – zich hard om de inzameling van met name armaturen uit sloop en renovatie naar een hoger niveau te tillen. De infrastructuur van Wecycle ligt er inmiddels, maar het gaat alleen lukken als alle betrokken partijen hieraan meewerken. Niet alleen de sloop- en bouwbranche, maar ook de medewerking van bijvoorbeeld gebouweigenaren, opdrachtgevers en de overheid is daarvoor nodig.

LightRec en Wecycle willen dat het correct verwijderen en afvoeren van verlichting bij renovatie en sloop binnen vijf jaar geen uitzondering meer is, maar het nieuwe ‘normaal’. Concreet willen we het gewicht aan ingezamelde verlichting uit de sloop verdubbelen. Want alleen als we ook gescheiden inzamelen, bereiken we échte milieuwinst met duurzame verlichting.

Een veel gehoord argument is dat het – technisch en financieel gezien – lastig is om lampen en armaturen uit sloopprojecten vrij te krijgen. Echter, het is technisch gezien voor sloopaannemers geen probleem om verlichting apart te houden. De kosten voor verwijdering zijn bij renovatieprojecten over het algemeen gering. Bij totaalsloop projecten zijn de meerkosten iets hoger om lampen en armaturen te verwijderen. Belangrijk is dat de hele keten, vanaf de aanbesteding, rekening houdt met de demontage en gescheiden inzameling van lampen en armaturen.

Goed voorbeeld

STABU heeft in haar standaardbestek de mogelijkheid opgenomen om als bouwplaatsvoorziening een recyclecontainer te plaatsen. Onderstaand kader laat een goed voorbeeld zien van een bestektekst waarin dit is opgenomen:

Bart van Kalkeren, VKMC

Waarom 350 mA vereisen?

Met regelmaat krijgen we de vragen over een maximale stroom die wordt geëist door opdrachtgevers. Het gaat dan om 350 mA die maximaal door de ledmodule zou mogen. Is dit wel de juiste weg?

Temperatuur

Tijdens de introductie van led voor algemene verlichtingsdoeleinden werd, om zoveel mogelijk licht uit de led te krijgen, de stroom door de leds opgevoerd. Dit heeft inderdaad als gevolg dat er meer licht uit komt maar ook zorgt dat ervoor dat de led veel warmer wordt. Op zich kunnen we dat weer koelen. We hebben echter te maken met een weerstand in de warmte overdracht van de halfgeleider naar het huis. Die zorgt ervoor dat er een bepaald temperatuursverschil zal ontstaan tussen de halgeleider en de buitenkant van de halfgeleider.

Afhankelijk van het vermogen dat we in de led stoppen en het verlies dat dien ten gevolge in warmte moet worden afgevoerd is aan een maximum verbonden. Zolang de temperatuur in de led niet boven een bepaalde waarde uitkomt zal dat nog steeds goed gaan.

Het opvoeren van het vermogen en daarmee de temperatuur heeft ook een belangrijk nadelig effect en dat is dat de te verwachten levensduur achteruit gaat. Dat effect kan tot een flinke reductie van de levensduur leiden.

Rendement

De verdere ontwikkeling van de led heeft inmiddels geleid tot een aantal belangrijke effecten. Het redement van de led is in de loop der jaren enorm verbeterd wat tot gevolg heeft dat er minder energie verloren gaat en daarmee in licht ipv warmte wordt omgezet. Ook zijn de technieken voor de warmteafvoer van de halfgeleider enorm verbeterd wat inhoud dat de warmte weerstand van de led naar buiten is verminderd.

De stroom is bepalend? In principe zegt de stroom niet zo heel veel. Als we kijken naar een module zitten daar meerdere leds op. Soms zit in 1 led package ook al meerdere leds. De stroom die wordt opgegeven voor de module is dus niet noodzakelijkerwijs de stroom door de individuele leds.

Het is veel belangrijker om te weten wat de temperatuur van de led is. Hoe kouder de led blijft hoe langer de te verwachten levensduur zal zijn. Het js daarom beter om een levensduur te specificeren in de vorm van de L en F waarde. Belangrijk is wel dat wordt vastgesteld of die dan een relatie hebben tot de module in het armatuur. De waarde moet dus geverifieerd zijn in de toepassing.

Parameters

Hoe zijn deze parameters opgebouwd:

Het afnemen van het licht, of eigenlijk de hoeveelheid licht die na bepaalde tijd nog over is, noemen we het lumenbehoud. Dit wordt uitgedrukt in een parameter aangeduid als Lx. Dit kan bijvoorbeeld zijn L90 of L80 etc. Het getal zegt dat er na de aangegeven tijd nog 90 % (L90) van de initiële lumen-opbrengst over is. Daar hoort dan wel de tijd bij vermeld te worden.

Dit is echter maar één deel van de parameter. Het tweede deel gaat over de uitval; ook niet geheel onbelangrijk.
De tweede parameter, is de Fx waar de x bijvoorbeeld 10 is. Deze parameter geeft aan hoeveel ledmodules dit lumenbehoud niet halen. Bij 10 is dat 10%. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de module geen licht meer geeft maar het kan ook zijn dat er nog wel licht uitkomt maar dat het een stuk lager is dan de waarde die het volgens de L-waarde zou moeten zijn.

Deze parameter kan ook gesplitst worden. In specifieke gevallen wordt een percentage voor uitval (C) aangegeven en een percentage voor daling van de lichtopbrengst (B) beneden de gespecificeerde lichtopbrengst.

Als de B is aangegeven geeft dat aan dat een percentage van de armaturen de opgegeven L waarde niet zal halen. Stel de B=50 en de L=90, dan betekent dat dat 50% van de modules een lichtopbrengst van 90% niet zullen halen.

Indien de C-waarde is gespecificeerd is dat altijd bij L0 want de lumen-opbrengst is bij uitval 0. Een C-waarde van 10 betekent dat 10% van de modules een mogelijke lichtopbrengst van 0 lumen heeft.

Een regelmatig voorkomende waarde voor openbare verlichting is bijvoorbeeld L80F10=100.000 ofwel na 100.000 uur hebben we 80% van de licht opbrengst over en zal 10% een lagere licht opbrengst hebben of uitgevallen zijn.

Het specificeren van de stroom door de module of led is derhalve geen effectieve methode om een een garantie te hebben van de levensduur. De specificatie van de L en F waarde zijn effectief mits wel duidelijk vast gesteld in combinatie met de armatuur. Bedenk wel dat deze waarde een module specificatie is.

Jacob Nuesink, voor netwerk Kennis, OVLNL

“Mogelijk was de keuze anders geweest”

Interview met Thomas Wittekamp, beheerder OVL gemeente Huizen.

De gemeente Huizen is in 2016 geheel overgeschakeld op ledverlichting en was daarmee de eerste gemeente in Nederland die de OVL volledig naar led had omgeschakeld. Het ging om ruim 8,500 lichtbronnen die zijn omgezet. Saled heeft de lampen geleverd en Pilkes Infra heeft eea geïnstalleerd. De gemeente heeft ruim 41.000 inwoners en beslaat een landoppervlak van ruim 15 km2.

Hoe verliep destijds het besluitvormingsproces?

De wethouder, Groenlinks, had een grote wens. Milieumaatregelen. Openbare verlichting was een logische keus. Dat betekende veel studie en gesprekken met leveranciers om de materie duidelijk te krijgen. Dat was destijds niet zo eenvoudig. De keus was beperkt en het was lastig alle specificaties te achterhalen. Besloten is om de vervanging van lichtbronnen te doen middels een retrofit oplossing, te weten Saled lampen. Wanneer er armaturen worden vervangen word gekozen voor een led-armatuur. De armaturen waren van Innolumis en later ook van Philips en Lightronics. Hiermee hadden we een snelle oplossing en konden we ons hele arsenaal “ver-ledden”.

Zou het register bij de keuze een voordeel hebben opgeleverd?

Ja, zeker. Er moet nog wel meer vulling op de site komen. Het levert duidelijkheid op. De industrie is misschien nog wat conventioneel en houdt vast aan oude gebruiken. Je ziet echter dat de jongeren onder ons, zich eerst op internet informeren. Dit middels websites zoals het register. Je kunt een goede vergelijking maken en dan op basis van alle beschikbare informatie een besluit nemen. Voordeel is dat je ook producten ziet die je nog niet kende of leveranciers ziet die je zonder het register nooit benaderd zou hebben. Een aantal keuzes zouden mogelijk ook anders hebben kunnen uitvallen, achteraf gezien.

Het register

Het register is in 2016 jaar gestart en 2017 geopend voor gebruik. Langzaam groeit het aantal producten en ook het aantal gebruikers zien we gestaag stijgen. Het aantal families is inmiddels boven de 20 uitgekomen waarmee, alle mogelijk variaties in aanmerking nemende, er vele duizenden verschillende uitvoeringen mogelijk zijn. Het doel is om een compleet beeld te hebben van de beschikbare producten. Zo zijn er inmiddels nostalgische armaturen, modern design maar ook puur functioneel armaturen in het register te vinden.

Wat vindt u de belangrijkste voordelen?

Een overzicht hebben van het aanbod, en middels het vergelijken, een juiste keuze kunnen maken. Het register zal ervoor zorgen dat fabrikanten sterker zullen innoveren. Er komen dan nieuwe differentiërende producten beschikbaar. Dit betekent een breder aanbod en een stijgende kwaliteit. Hopelijk gaat dan het rendement verder omhoog en krijgen we kwalitatief betere producten op de markt. Een win-win dus!

Fabrikanten / leveranciers

Sommige leveranciers zijn wat sceptisch met name omdat ze niet zeker zijn dat het register in gebruikt gaat worden. Ook is het even een inspanning is om de juiste documenten boven tafel te krijgen. Bij de start speelden ook de kosten een rol al waren die zeer laag. Dat probleem is uit de wereld geholpen. Langzaam sluiten steeds meer leveranciers zich bij het systeem aan.

Wat zou u de leveranciers willen meegeven?

Het is even wennen deze verandering in de markt maar het levert zoveel voordelen op. Als je niet in het register zit kun je toekomstig de boot weleens missen. De trend in de markt is steeds meer informatie via dit soort websites. Dat zie je op veel meer gebieden. Kijk naar de bekendheid van websites als kieskeurig. De jongere generatie maakt veel gebruik van internet en de mogelijkheden op internet. Als je er niet bij zit als leverancier wordt het lastig om nog mee te kunnen doen.

Ontwikkeling

Led blijft voorlopig nog ontwikkelen. In efficiëntie, kwaliteit van licht, etc. Ook in zaken als smart lighting gaat de ontwikkeling snel.

Hoe ziet u toekomstige ontwikkelingen?

Graag zouden wij zien dat we de levensduur van een armatuur kunnen verlengen. Denk aan het laten vervangen van de ledmodule indien die defect is. Dit dan wel middels het uitwisselen van het gehele armatuur door een refurbished armatuur. Dit kan middels het terug sturen naar de leverancier en dan een refurbished product terugkrijgen welke we opnieuw kunnen inzetten.

Huizen wil proeven gaan uitvoeren met het LORA netwerk. We willen kijken in hoeverre de armaturen bereikt kunnen worden in de buitenwijken en tussen de hogere flatgebouwen. Er is een mast geplaatst op het gemeentehuis. We kijken dan vooral naar beheer. Middels sensoren kunnen we zien of de “lamp nog brand”, of de paal scheef staat etc.

Extra energie besparen door dimmen levert bij ons weinig winst op. De verbruiken per armatuur liggen erg laag. De terugverdientijd wordt dan wel lang voor een dergelijke modificatie. Bij proeven die in het verleden zijn uitgevoerd waren de ervaringen ook niet zo positief Dat wil zeggen het aantal inbraken nam toe en er werden auto’s beschadigd. In de wijken waar we dat gedaan hebben is dat dan inmiddels ook weer teruggedraaid. Het lichts staat weer gewoon aan.

Ook zijn de implicaties van het uitbesteden van het licht, verzamelen van data door derden en het gebruik ervan niet zonder risico. In principe valideert de overheid bij uitbesteding van het licht met dergelijke systemen het gebruik ervan. Dat levert nieuwe risico’s op onder andere op het gebied van privacy. Hier moet goed over nagedacht worden af dat wel zo handig is. Er zijn gemeenten die een Light lease-constructie en niet tevreden zijn.

Ik kijk uit naar armaturen die een nog veel hogere efficiëntie hebben. Dat moet mogelijk zijn. Inmiddels zijn er fabrikanten die armaturen ontwikkeling met een minimale optiek zodat ook daar het verlies beperkt wordt. Er is dus zeker nog een verbetering mogelijk op de efficiency van de armaturen.

Een punt van zorg is product “continuïteit”. Armaturen worden steeds sneller opgevolgd door een nieuw model en dat is vervelend omdat we graag eenzelfde model voor een langere tijd willen kunnen inzetten. Natuurlijk levert innovatie nieuwe producten op maar het zou toch prettig zijn als het model dan niet meteen wordt gewijzigd.

Tips?

Hebt u nog tips voor gebruikers?

In sommige gemeenten zijn de ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor de OVL belast met vele taken en is OVL een “bijzaak”. De kans bestaat dat die mensen zich blindstaren op de sterren zoals die op de site vermeld staan. Het is wel duidelijk vermeld op de site wat die inhouden maar daar is het toch wel wat inlezen. Nu hebben we wel te maken met professionals maar toch zou het verstandig zijn, voor die gebruikers die niet te veel tijd aan de selectie willen besteden, om toch goed in te lezen wat alles nu precies inhoud.

Armaturenregister;
Klopt het blijft lastig en we zijn blijven ook bezig om nog duidelijker de inhoud en betekenis te communiceren. Hier staat de uitleg

1-9-2017
Jacob Nuesink

Accreditatie en betrouwbaarheid.

Het armaturenregister staat voor het vaststellen van het betrouwbaarheidsniveau van aangeleverde informatie. Er bestaat weleens wat verwarring. Armaturenregister is geen keuringsinstelling en heeft ook geen laboratorium. Fabrikanten moeten documenten aanleveren die dan vervolgens op inhoud en waarde worden beoordeeld. Dat gebeurt dan weer volgens hele heldere en duidelijke criteria. Die ook vermeld staan op de website. Wat zijn daarvan nu eigenlijk de belangrijkste?

Accreditatie

De rapporten die worden aangeleverd worden niet op juistheid gecontroleerd. Hiervoor is het uitvoerende laboratorium verantwoordelijk. Het controleren wat de waarde van dat rapport is doen we middels het controleren van de accreditatie. Wat is accreditatie eigenlijk?

Het betekent niet meer dan vertrouwen geven. In Nederland kennen we de Raad voor Accreditatie (RvA). Deze organisatie accrediteert andere organisaties. Dit gebeurt weer op basis van normen en die organisaties worden gecontroleerd op diverse punten, waaronder hun kennis van zaken. De Raad voert dus audits uit bij organisaties die een accreditatie aanvragen voor een bepaalde dienst of verrichting.

In het register wordt derhalve dus gekeken of een rapport dat is aangeleverd door een geaccrediteerde instelling is opgesteld. We kunnen er dan namelijk vanuit gaan dat die instelling kennis van zaken heeft en de juiste procedures volgt om de metingen uit te voeren en de rapporten op te stellen.

Het maakt dus niet uit welk laboratorium het rapport heeft opgesteld, zolang die instelling maar een accreditatie heeft. In de praktijk zijn er duizenden instituten geaccrediteerd. Voldoende om ervoor te zorgen dat er voor iedere fabrikant een goede keuze tussen zit.

Gelimiteerd in houdbaarheid

Rapporten worden geaccepteerd. Maar wat gebeurt er na verloop van tijd? Producten veranderen en ook de normen worden in de loop der tijd aangepast. Armaturenregister weet niet wat er met het product gebeurt. Het register voert geen inspecties uit en controleert niet de producten die door de fabrikant worden geleverd. Ook die taak wordt door keuringsinstellingen uitgevoerd.

Keuringsinstellingen werken veelal met een standaard termijn van 3 jaar. Dat wil zeggen dat men ervan uitgaat dat na 3 jaar het rapport waarschijnlijk dusdanig verouderd is dat een herkeuring of heronderzoek nodig is om te controleren of het product nog steeds aan de eisen voldoet. In het register wordt daarom dezelfde termijn gehanteerd. Dat wil zeggen dat een product 3 jaar gepubliceerd blijft. Na 3 jaar moet een update van de publicatie plaatsvinden. Daarmee blijft de informatie up to date en verdwijnen oude producten die niet langer geleverd worden vanzelf uit het systeem.

Hierdoor blijft het systeem courant en betrouwbaar.

1-9-2017
Jacob Nuesink

IOV Enthousiast over Armaturenregister

Het IOV, Initiatiefgroep Openbare Verlichting, bestaat uit deskundigen vanuit Rijkswaterstaat en provinciaal niveau die zich bezighouden met de openbare verlichting. Armaturenregister is uitgenodigd om een toelichting te geven en het register voor te stellen. Rijkswaterstaat is als sponsor erg betrokken bij het systeem. Wij zijn graag ingegaan op de uitnodiging voor deze bijeenkomst.

De reacties waren zeer enthousiast. Ook kritiek, opbouwende kritiek waar we in het register wat mee kunnen. Men ziet de meerwaarde van het register en veel voordelen bij de selectie van producten. De kritieken waren vooral op specifieke details zoals de menukeuze en weergave van het aantal toegekende sterren. Deze kritiek nemen wij natuurlijk ter harte en aanpassingen op de site zullen dan ook snel volgen.

In de afgelopen weken zijn er ook een aantal voorlichtingssessies voor diverse gemeenten geweest. Ook daar werd het register zeer enthousiast ontvangen. Vooral de opmerking hier zitten we al zolang op te wachten is natuurlijk erg bemoedigend.

In alle gevallen wordt de systematiek die we opgezet hebben zeer goed ervaren. Ook de inhoud van het programma. Uitbreidingen zijn gewenst, diverse specifieke vragen zijn daarvoor gesteld. Het register ziet de meeste uitbreidingen ook als mogelijk in de toekomst.

Jacob Nuesink
2017-06-14