FAQ

Algemeen

Aangegeven wordt op welke wijze een armatuur wordt gemonteerd. Het register onderscheid de volgende methoden:

Opzet; Typische methode voor bijvoorbeeld kegelarmaturen die boven op de paal worden gezet.

Opschuif; armaturen die typisch op uithanger worden opgeschoven.

Spankabel; armaturen die aan de spankabel worden opgehangen

Lichtzuil; niet zo zeer een montage methode. Een lichtzuil zijn kleine of langere palen die voorzien zin van licht. Hierbij vormt het geheel het armatuur.

Inbouw,Opbouw; Methode die in tunnels gebrukt word. Opbouw boven op de ondergrond en inbouw is verzonken in de ondergrond (tunnel wand of plafond b.v.).

Anders; andere methode die niet in de bovenstaande indeling past.

De hoogte van de lichtmast waarvoor het armatuur geschikt is. Dit is een door de fabrikant opgegeven waarde.

De mast hoogte wordt mede bepaald door de maximale windbestendigheid van het armatuur (wind vangend oppervlak). Verder zijn de bepalende factoren meer esthetisch.

Deze waarde is daarom een opgegeven waarde die niet aan verdere controle wordt onderworpen.

De afstand die tussen de masten kan worden aangehouden. Deze afstand is mede afhankelijk van de hoogte waarop de armaturen worden gemonteerd (mast hoogte) en de toegepaste optieken en het gewenste lichtbeeld.

In het register kan dat niet worden gecontroleerd derhalve zijn dit door de fabrikant opgegeven waarden.

Elektrisch

Iedere armatuur heeft een voeding nodig. In veel gevallen worden armaturen gevoed vanuit het openbare net en dat heeft in Europa een spanning van 230V. Er zijn ook andere netten, zeker als we wereldwijd kijken. Zo zijn er nog veel landen waar een netspanning van 220V de standaard is, maar ook 100 en 110V komen voor. Het armatuur moet dan ook geschikt zijn voor de spanning die gebruikt wordt op de doel-locatie.

Er zijn ook eigen netten of speciale aansluitingen die worden gebruikt. Tegenwoordig zien we onder meer de opkomst van gelijkspanningsnetten.

We kennen verschillende soorten voedingsnetten, AC en DC. AC staat voor ‘Alternating Current’ en DC staat voor ‘Direct Current’. Een AC net is een wisselstroomnet en dat zijn meestal de openbare netten. DC is een gelijkstroomnet en dat is een type net dat we nog niet veel zien maar wel in opkomst is.

In de wereld worden eigenlijk twee verschillende frequenties op de openbare netten gebruikt, te weten 50 en 60 Hz. De frequentie houdt simpel gezegd in: het aantal keren per seconde dat de spanning van positief naar negatief gaat. In Nederland is de frequentie van ons net normaliter 50 Hz.

Het vermogen dat het armatuur verbruikt is van belang in berekeningen. Het is noodzakelijk om de netcapaciteit (kabels/zekering) te bepalen maar ook, en dat is misschien nog wel belangrijker, om het energieverbruik en daarmee de kosten voor het gebruik te bepalen.
In de elektrische wereld kennen we drie soorten vermogens. Dit is het schijnbaar-, werkelijk- en blindvermogen. Het werkelijke vermogen is het vermogen dat we werkelijk (effectief) verbruiken (het verbruik dat we afrekenen met de energie maatschappij). Dit vermogen wordt uitgedrukt in Watt (W).
Het schijnbaarvermogen is het product van spanning en stroom en drukken we uit in Volt Ampere (VA). Dit getal kan even groot zijn als het werkelijkvermogen maar in de meeste gevallen is dit getal groter. Het schijnbaarvermogen wordt wel opgenomen door het armatuur maar het armatuur levert ook weer een beetje terug aan het net en dat hoeven we niet te betalen.
Het blindvermogen is het reactief vermogen en drukken we uit in VAR. De verhouding tussen het werkelijk- en het schijnbaarvermogen is de arbeidsfactor die hieronder verder wordt beschreven.

We kennen 3 verschillende isolatie klassen voor wegverlichting.

1. Klasse I

Klasse I producten worden uitgevoerd met een aardeaansluiting. De isolatie in het armatuur is enkelvoudig uitgevoerd en alle aanraakbare metalen delen die onder spanning zouden kunnen komen te staan moeten met de aardklem zijn verbonden. Klasse I toestellen zijn niet voorzien van een speciale aanduiding.

2. Klasse II

In klasse II producten worden extra isolaties aangebracht of zijn voorzien van versterkte isolaties. In dat geval mag een aarde niet worden aangebracht. Het klasse II symbool dient op deze armaturen te zijn aanbracht en er zal geen veiligheidsaarklem aanwezig zijn.

3. Klasse III

Deze toestellen kunnen enkel worden aangesloten op een zogenaamde veilige lage spanning. De isolaties zijn daarop aangepast. De armaturen dienen in dat geval voor zien te zijn van het klasse III symbool.

In sommige gevallen kan een fabrikant een armatuur lever in een klasse I als ook in een klasse II uitvoering.

Formele definities

Op armaturenregister.nl worden 3 verschillende verificatie niveaus gehanteerd:

Verklaart:
De Fabrikant of Leverancier (degene die het product heeft aangemeld voor het register) heeft verklaart dat de opgegeven waarden correct zijn.

Gekeurd:
Er zijn documenten overlegt waaruit blijkt dat een keuring is uitgevoerd. Deze documenten moeten van een geaccrediteerde instelling zijn. De juistheid en de compleetheid van de documenten is gecontroleerd. De waarden in het register die een relatie hebben tot het betreffende onderwerp zijn dan ook bevestigd door de overlegde documenten.

Gecertificeerd:
Dit gaat nog een stapje verder dan gekeurd. Bij dit niveau is tevens een certificatie merk verleent. Dit certificatie merk voldoet aan de voorwaarde dat een nacontrole programma wordt uitgevoerd. De fabrikant wordt dan regelmatig gecontroleerd op het voldoen aan de voorwaarden voor het de verlening van het certificatie merk.

We gebruiken in het register 3 verschillende categorieën.

1. Veiligheid

Betreft het voldoen aan de eisen voor elektrische veiligheid.

2. EMC

Betreft het voldoen aan de eisen voor Elektro Magnetische Compatibiliteit.

3. Prestaties

Betreft een controle op de juistheid van de opgegeven parameters.

Let op deze aanduiding is dus geen kwaliteitsniveau in de zin van goed, beter best. De aanduiding geeft voornamelijk aan hoeveel zekerheid er is over de juistheid van de aangeduide parameters.

Lees hier verder over de criteria en de aan te leveren documenten.

De code bestaat uit 6 cijfers, als volgt:

XXX/XXX

De eerste X staat voor de CRI. Dit wordt één van de volgende cijfers bij het CRI bereik dat ernaast staat.

Code               CRI bereik
6                     57 – 66
7                     67 – 76
8                     77 – 86
9                     87 – 100

De daarop volgende 2 cijfers staan voor de CCT. Het getal moet met 100 vermenigvuldigd worden om de CCT te vinden. Dus als de waarde 2700K is, staat er 27 vermeld in de fotometrische code.

Het eerste getal achter de schuine streep staat voor de initiële kleurafwijking. Dit getal is het aantal McAdam ellipsen. Dit geeft aan wat de kleurverschillen zijn tussen dezelfde bronnen van hetzelfde merk en type.

Het tweede getal geeft het kleurbehoud weer. Ook dit getal staat voor het aantal McAdam ellipsen en geeft het verloop aan na verloop van tijd. Dit verloop wordt aangegeven over 25% van de levensduur met een maximum van 6000h.

Het derde getal geeft het lumenbehoud aan. Ook dat is aangegeven over een periode van 25% van de levensduur met een maximum van 6000 h. Dit getal is als volgt te interpreteren:

Code   Lumenbehoud
9                     ≥ 90
8                     ≥ 80
7                     ≥ 70

Een voorbeeldcode is 830/359

Dit betekent dat de bron:
– een CRI heeft tussen 77 en 86
– een kleurtemperatuur heeft van 3000K
– een basis kleurafwijking heeft van maximaal 3 mcAdam ellipsen
– een afwijking kan hebben na 6000h van maximaal 5 mcAdam ellipsen
– een lumenbehoud heeft van 90% na 6000h.

De fabrikant is degene die de verantwoordeljkheid voor de kwaliteitsborging van het geproduceerde product. In de zin van armaturenregister.nl kan de rol van de fabrikant ook overgenomen worden door een vertegenwoordiger.

Fotometrie

Het afnemen van het licht, of eigenlijk de hoeveelheid licht die na bepaalde tijd nog over is, noemen we het lumenbehoud. Dit wordt uitgedrukt in een parameter aangeduid als Lx. Dit kan bijvoorbeeld zijn L90 of L80 etc. Het getal zegt dat er na de aangegeven tijd nog 90 % (L90) van de initiële lumen-opbrengst over is.

Het tweede deel gaat over de uitval, de Fx waar de x bijvoorbeeld 10 is. Deze parameter geeft aan hoeveel ledmodules dit lumenbehoud niet halen. Bij 10 is dat 10%. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de module geen licht meer geeft maar het kan ook zijn dat er nog wel licht uitkomt maar dat het een stuk lager is dan de waarde die het volgens de L-waarde zou moeten zijn.

Deze parameter kan gesplitst worden. In specifieke gevallen wordt een percentage voor uitval (C) aangegeven en een percentage voor daling van de lichtopbrengst (B) beneden de gespecificeerde lichtopbrengst. Als de B is aangegeven geeft dat aan dat een percentage van de armaturen de opgegeven L waarde niet zal halen. Stel de B=50 en de L=90, dan betekent dat dat 50% van de modules een lichtopbrengst van 90% niet zullen halen.

Indien de C-waarde is gespecificeerd is dat altijd bij L0 want de lumen-opbrengst is bij uitval 0. Een C-waarde van 10 betekent dat 10% van de modules een mogelijke lichtopbrengst van 0 lumen heeft.

De basis van elke lichtinstallatie behoort een lichtplan te zijn. Dat kan een heel eenvoudige planning zijn waarbij je uit gaat van een standaardverdeling van armaturen of het kan een geoptimaliseerde installatie worden. De laatste heeft als voordeel dat er maximaal gebruik wordt gemaakt van de besparingsmogelijkheden die er zijn. Bij een goed gepland lichtsysteem heb je overal precies genoeg licht en zijn er geen plaatsen die onnodig of doelloos worden verlicht.

Er kunnen uitgebreide berekeningen gemaakt worden met behulp van software waarin dan rekening wordt gehouden met allerlei factoren.

Om de armaturen juist te positioneren en te verdelen is een lichtverdeling nodig. Dat betekent dat je moet weten waar het licht uit het armatuur terecht komt en in welke intensiteit.

Het lichtverdelingsdiagram ofwel het afstralingspatroon (I-Tabellen) is een weergave van de richting waar het licht door het armatuur naartoe gestraald. Uiteindelijk heb je dan de bestanden nodig om de berekeningen te maken.

Deze bestanden zijn in diverse formaten verkrijgbaar. We kennen in Europa het Eulumdat bestand. De extensie van dit bestand is .ldt. De Amerikaanse equivalent die ook veel wordt gebruikt is het IES bestand; .ies. In de basis zijn de gegevens die erin staan hetzelfde als het Eulumdat bestand. Beide hebben tot doel om berekeningen te kunnen maken in software.

Er bestaan ook conversieprogramma’s die een bestand van het ene formaat in het andere omzetten. Maar zo’n bestand is pas nodig als je de berekeningen met behulp van software wilt maken.

De lichtstroom geeft aan hoeveel licht er in het totaal uit een armatuur (of lichtbron) komt. De lichtstroom wordt uitgedrukt in lumen (lm).

De bij een product geregistreerde lichtstroom is de maximale lichtstroom die haalbaar is bij het betreffende model. De werkelijke lichtstroom wordt beïnvloed door:

– de gekozen kleurtemperatuur
– het aantal leds en de stroom door de leds
– de verliezen in de gebruikte optieken zoals lenzen, spiegels en afdekplaten

Een serie kan zijn samengesteld uit meerdere uitvoeringen die derhalve allemaal een afwijkende totale lichtstroom kunnen hebben.

De CRI staat voor ‘Color Rendering Index’ (ook wel Ra genoemd) en is een getal dat weergeeft hoe goed kleuren worden weergegeven. Hoe lager de CRI hoe slechter we de kleuren kunnen herkennen. Om tot een goede kleurweergave te komen, zijn de kleuren idealiter ook aanwezig in het lamp-spectrum zoals ze in de kleurruimte aanwezig zijn.

De kleurtemperatuur van wit licht is afgeleid van het zogenaamde zwartlichaam dat wordt verwarmd (vergelijkbaar met de zon). Hoe warmer het wordt hoe “witter” het licht wordt. De temperatuur van het platina is de maat voor de kleurtemperatuur.

Meestal spreken we in specificaties over wit licht. In de volksmond wordt dan over warm wit, koud wit en neutraal wit gesproken. Er zijn ook nog diverse andere termen die gebruikt worden zoals daglichtlampen, maar eigenlijk zijn deze niet geschikt voor gebruik in specificaties omdat ze allemaal niet genormaliseerd zijn en voor interpretatie vatbaar zijn. Het witte licht is goed uit te drukken in de kleurtemperatuur. 2700 K (Kelvin) is een warmwitte kleur licht. 5000 K begint al flink op het licht van een zonnige dag te lijken.

Als vuistregel kun je zeggen dat warm wit zo rond de 3000 K zit, koud wit zit rond de 4000 K en daglicht is ongeveer 6000 K.

Dit is een vorm van uitdrukken van de efficiency. De efficiency is echter een percentage, terwijl de efficacy een getal is dat uitdrukt hoeveel licht je krijgt voor de energie die je erin stopt. De efficacy wordt uitgedrukt in lm/W.

CLO staat voor Constant Light Output.

Deze systemen worden wel aangeduid onder de verzamelnaam ‘Constant Light Output’ (CLO) systemen. Het voordeel van deze systemen is dat de leds in het begin met een lagere stroom worden bedreven wat ten gunste komt van de levensduur van de module. Dit zorgt tevens voor een lager energieverbruik in het begin terwijl toch aan de lichtdoelstelling wordt voldaan.

Deze systemen kunnen er in verschillende soorten zijn. Meest voorkomend zijn systemen die een voorgeprogrammeerde stroomcurve hebben. Die regelen dus op basis van branduren en koppelen niet terug. Deze gaan uit van een verwachte lichtreductie door de tijd heen en passen daar de stroom op aan. Die systemen zijn veelal ingebouwd in de driver en hebben tot gevolg dat wanneer de module vervangen wordt de driver opnieuw ingesteld moet worden. Dit geldt ook andersom: wanneer de driver vervangen wordt moet ook die opnieuw geprogrammeerd worden op het juiste aantal branduren.

Er bestaat een oplossing waar er op de module een chip wordt ingebouwd die de branduren bijhoudt zodat de driver weet welke stroom aangeboden moet worden, maar dat is niet overal standaard en de driver en module moeten in dat geval wel dezelfde taal spreken.

De ontwikkelingen staan niet stil; er zijn inmiddels systemen die een terugkoppeling hebben. De module of het systeem is dan voorzien van een sensor die het licht meet en op basis daarvan de dimstand instelt voor het armatuur. De hoeveelheid licht die de module dan levert is constant totdat de leds zover achteruit zijn gegaan dat de stroom niet hoger kan worden.

Levensduur

Het afnemen van het licht, of eigenlijk de hoeveelheid licht die na bepaalde tijd nog over is, noemen we het lumenbehoud. Dit wordt uitgedrukt in een parameter aangeduid als Lx. Dit kan bijvoorbeeld zijn L90 of L80 etc. Het getal zegt dat er na de aangegeven tijd nog 90 % (L90) van de initiële lumen-opbrengst over is.

Het tweede deel gaat over de uitval, de Fx waar de x bijvoorbeeld 10 is. Deze parameter geeft aan hoeveel ledmodules dit lumenbehoud niet halen. Bij 10 is dat 10%. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de module geen licht meer geeft maar het kan ook zijn dat er nog wel licht uitkomt maar dat het een stuk lager is dan de waarde die het volgens de L-waarde zou moeten zijn.

Deze parameter kan gesplitst worden. In specifieke gevallen wordt een percentage voor uitval (C) aangegeven en een percentage voor daling van de lichtopbrengst (B) beneden de gespecificeerde lichtopbrengst. Als de B is aangegeven geeft dat aan dat een percentage van de armaturen de opgegeven L waarde niet zal halen. Stel de B=50 en de L=90, dan betekent dat dat 50% van de modules een lichtopbrengst van 90% niet zullen halen.

Indien de C-waarde is gespecificeerd is dat altijd bij L0 want de lumen-opbrengst is bij uitval 0. Een C-waarde van 10 betekent dat 10% van de modules een mogelijke lichtopbrengst van 0 lumen heeft.

Omgevingscondities

De omgevingstemperatuur waarvoor de armaturen geschikt zijn. In Nederland in normale condities is 25 °C voldoende voor wegverlichting.

De IP markering die op een armatuur vermeld kan staan betreft de bescherming tegen vocht en stof.

IP staat voor ‘Ingress Protection’; de bescherming tegen indringing. Het getal dat er achter staat bestaat uit 2 cijfers. Overigens kan daar ook een X in staan en dat betekent dat dat betreffende nummer het minimum is en dus niet verder is gespecificeerd. Als op een armatuur dus IPX3 staat dan betekent dit dat de bescherming van het eerste cijfer het minimum is en dat is een 2 dus de bescherming is in dat geval IP23.

IP X X
0 Geen bescherming
1 Druipwaterdicht
2 Druipwaterdicht onder 15°
3 Regenwaterdicht
4 Spatwaterdicht
5 Spuitwaterdicht
6 Drukspuitwaterdicht (geen hogedruk)
7 Onderdompelbaar
8 Drukwaterdicht (onderwater gebruik)
9 Nog niet in gebruik echter wordt gebruikt voor hogedrukwaterdicht
0 Geen bescherming
1 Beschermd voor objecten 50 mm
2 Annrakingsveilig
3 Veilig voor kleine objecten 2,5 mm
4 Veilig voor kleine objecten 1 mm (draad)
5 Stof arm
6 Stof dicht

Voor armaturen die tegen een stootje moeten kunnen is de IK code beschikbaar. Deze code geeft aan welke mechanische belasting, -slagkracht- het armatuur kan weerstaan. Andersgezegd, het is een code die aangeeft hoe “vandaalbestendig” het armatuur is. In een kantooromgeving is dit waarschijnlijk niet erg interessant maar voor buitenverlichting specifiek in de publieke ruimte is dat natuurlijk wel interessant.

De IK code behoort ook op de typeplaat te staan. Als er geen specifieke bescherming is, hoeft er niets op te staan maar het kan zijn dat er dan IK 00 op staat. Dat betekent dus dat er geen specifieke bescherming is. De IK code is loopt van 01 to 10. Dit is een oplopende slag-energie, oftewel het armatuur is steeds sterker en dus beter beschermd tegen klappen op het armatuur. IK 01 is een slag-energie van 0,15J en IK 10 is een slag-energie van 20J. De norm is EN 62262.